FysiNFo

Deze pagina gebruikern we om U te informeren over fysiotherapie in het algemeen en de behandelmethodes welke in onze praktijk gebruikt worden in het bijzonder.

Daarnaast treft u nog enkele andere lezenswaardige artikelen.

1. Fysiotherapie Algemeen;

Klachten waarmee patiënten bij de fysiotherapeut komen, zijn zeer uiteenlopend:
– pijn
– krachtsvermindering
– ademhalingsproblemen
– zwelling en beperkingen in het bewegen.
– De aandoeningen kunnen bijvoorbeeld zijn ontstaan tijdens het sporten, het uitoefenen van werkzaamheden, door veroudering of door een ongeval.

Een fysiotherapeut adviseert, begeleidt en behandelt bij stoornissen in houding en/of bewegen. Dat kan zijn bij blessures van spieren, pezen, banden en gewrichten. Ook gevolgen van functiestoornissen aan het zenuwstelsel, bloedvaten, longen, hart en huid kunnen worden behandeld.

Fysiotherapie is een behandeling aan het lichaam op voorschrift van een arts. Dat kan de huisarts zijn of een specialist. Een behandeling kan ook een begeleidend karakter hebben. Daarbij begeleidt de fysiotherapeut de patiënt in een bepaald revalidatieproces of geeft daarin adviezen.

De behandeling kan verschillende vormen omvatten. Een van de bekendste is: massage. Hierbij wordt door verschillende handgrepen een therapeutisch doel bereikt. Dat doel kan zijn: pijnvermindering, spierontspanning en verbetering van de doorbloeding.

Daarnaast bestaat fysiotherapie uit oefentherapie of bewegingstherapie. Vroeger bekend onder heilgymnastiek. Ook met oefentherapie zijn verschillende doelen te bereiken, zoals: versterken van spieren, beweeglijk maken van gewrichten en verbetering van de algemene conditie. Een onderdeel van oefentherapie is ook houdingstherapie, ademhalingsoefeningen en ontspanningsoefeningen.

Buiten de bovenstaande behandelingen maakt de fysiotherapeut ook gebruik van apparatuur. De meest bekende zijn de warmte behandelingen met paraffine en modderpakkingen, ultra korte golf (ukg) en infrarood lampen. Verder bestaat de apparatuur uit ultra geluid en stroomapparaten.

Fysiotherapie kan toegepast worden bij verschillende klachten. Een belangrijke groep vormen de klachten van het bewegingsapparaat, zoals rug- en nekpijn en problemen met de gewrichten. De pijn kan variëren van mensen die vrijwel invalide zijn tot topsporters die door een blessure niet optimaal kunnen presteren. Daarnaast speelt fysiotherapie een belangrijke rol bij de revalidatie na ongelukken of ziekte.

Naar boven 

 2. Kinderfysiotherapie ;

Samen met een aantal collega’s heb ik voor de NVFK een folder mogen samenstellen bestemd voor leerkrachten van basisscholen.
Een deel hieruit vindt u hieronder.

Kinderfysiotherapie: wat is dat?
Kinderen leren spelenderwijs. Door te bewegen en te spelen ontwikkelen kinderen hun zintuigen en motoriek. Bij sommige kinderen is sprake van een vertraagde of afwijkende ontwikkeling. Dit kan een gevolg zijn van een aandoening aan zintuigen, organen, het zenuwstelsel, het houdings- en bewegingsapparaat of door een tekort aan motorische ervaring. Sommige kinderen hebben nu eenmaal meer oefening nodig om een vaardigheid te leren dan anderen.
Naarmate het kind ouder wordt, zijn steeds meer vaardigheden nodig om aan de eisen van de omgeving te voldoen.
Tevens kunnen problemen in het bewegend functioneren een negatieve invloed hebben op het zelfbeeld van het kind.
Daarom is het van belang dat nauwkeurig kan worden vastgesteld of de ontwikkeling wellicht vertraagd of afwijkend verloopt.

Kinderfysiotherapie en school:
Juist op school worden veel eisen gesteld aan de motoriek van kinderen o.a. op de speelplaats, tijdens gymnastieklessen maar ook in de klas.
Het kan dan bijv. opvallen dat een kind:
· motorisch onhandig, houterig is,
· overmatig (faal-)angstig is,
· veel valt,
· een slechte en / of slappe lichaamshouding heeft,
· niet stil kan zitten,
· veel uit de handen laat vallen,
· een slechte schrijfmotoriek laat zien of problemen met het tempo heeft,
· veel bijbewegingen heeft,
· en / of in motorisch ontwikkeling lijkt achter te blijven t.o.v. leeftijdgenootjes.

Bij twijfel kan de leerkracht, na overleg met de ouders, advies vragen aan de jeugdarts. De ouders kunnen ook zelf contact opnemen met de jeugdarts of de eigen huisarts. Deze kan dan bijv. bij een kinderfysiotherapeut een consult aanvragen zodat deze het motorisch gedrag van het kind kan beoordelen.

Kinderfysiotherapie: wat gebeurt er?
Wanneer het kind is doorverwezen naar de kinderfysiotherapeut gaat deze het kind uitgebreid observeren en onderzoeken om een zo compleet mogelijk beeld van het motorisch ontwikkelingsniveau van het kind te krijgen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van gestandaardiseerde tests.
De kinderfysiotherapeut bespreekt de bevindingen van de observatie en het onderzoek met de ouders / verzorgers en stelt zonodig een behandelingsplan op, waar binnen ook de behandeldoelen en evaluatiemomenten worden aangegeven.
Ouders / verzorgers en mede-opvoeders (w.o. de leerkrachten) kunnen, indien gewenst, advies krijgen over wat wel en wat niet van het kind verwacht kan worden en hoe het eventueel in de motorische ontwikkeling gestimuleerd kan worden.

Problemen in de ontwikkeling van het bewegend functioneren bij kinderen staat vaak niet op zichzelf. Veelal is er sprake van ontwikkelingsproblemen op meerdere terreinen, zoals cognitieve-, spraak-taal- en sociaal-emotionele ontwikkeling. Daarom zal de kinderfysiotherapeut vaak, met toestemming van de ouders / verzorgers, contact opnemen met eventuele andere behandelaars of begeleiders, zoals ergotherapeut, logopedist, leerkracht en onderwijsondersteunende instanties om de begeleiding zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen.

De behandeling bestaat meestal uit oefen- / bewegingstherapie welke is aangepast aan het ontwikkelingsprofiel van het kind. Veelal wordt gebruik gemaakt van kindgericht materiaal, een kindvriendelijke omgeving en aan het kind aangepaste instructies en dosering.

Naar boven 

3. Kinderfysiotherapie

                           

De reden voor kinderfysiotherapie:
De groep kinderen die naar de kinderfysiotherapeut verwezen worden kan in twee hoofdgroepen worden onderscheiden:
– kinderen van 0 – 4 jaar
– kinderen in de schoolleeftijd ( 4-16 jaar)

In beide groepen wordt onderscheid gemaakt tussen acute problemen en chronisch zieke kinderen.

De behandeling richt zich op het bewegend functioneren, op behandelen naar actualiteit van het ziekteproces en op betekenisvol functioneren met als doel de gevolgen van motorische problemen op de motorische en de algehele ontwikkeling te beïnvloeden. We spreken van een behandelende interventie. In toenemende mate wordt hierbij uitgegaan van de hulpvraag van kind en ouder. Functionaliteit staat centraal.

Kinderen leren spelenderwijs. Door te bewegen en te spelen ontwikkelen kinderen hun zintuigen en motoriek. Bij sommige kinderen is er sprake van ontwikkelingsgerelateerde problematiek. De ontwikkeling kan vertraagd, bedreigd of afwijkend zijn. Dit kan een gevolg zijn van een aandoening aan zintuigen, organen, het zenuwstelsel, het houdings- en bewegingsapparaat of door een tekort aan motorische ervaring. Sommige kinderen hebben nu eenmaal meer oefening nodig om een vaardigheid te leren dan anderen. Naarmate het kind ouder wordt, zijn steeds meer vaardigheden nodig om aan de eisen van de omgeving te voldoen.
Problemen in het bewegend functioneren kunnen een belemmering vormen voor optimale maatschappelijke participatie op de kinderleeftijd, als basis voor het uiteindelijke functioneren als volwassene. Ook kunnen zij een negatieve invloed hebben op de kwaliteit van leven van het kind en zijn ouders.
Veel meer dan bij volwassenen hebben we te maken met een voortdurende verandering op basis van groei en ontwikkeling. Dit speelt in de behandeling een grote rol.
Kinderen vragen om een specifieke eigen benaderingswijze.
Bij het behandelen van kinderen worden de ouders heel duidelijk betrokken. De kinderfysiotherapeut beschikt dan ook over specifieke kennis en vaardigheden, attitude en invoelend vermogen, dat past bij het kind in ontwikkeling en zijn ouders.

Wat doet de kinderfysiotherapeut:
Wanneer het kind is doorverwezen naar de kinderfysiotherapeut vindt een intake plaats om duidelijkheid te krijgen over de hulpvraag en gaat de kinderfysiotherapeut het kind observeren en onderzoeken om een zo compleet mogelijk beeld van de motorische mogelijkheden en het motorische niveau van het kind te krijgen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van observatielijsten en gestandaardiseerde tests.
De kinderfysiotherapeut houdt rekening met leeftijd, aandoening, ontwikkelingsfase en omgevingsfactoren, die het bewegingsgedrag beïnvloeden.
Om een zo compleet mogelijk beeld van de motorische vaardigheden te krijgen, wordt vaak informatie ingewonnen bij ouders, school, verwijzer en eventueel andere bij het kind betrokkenen.
De kinderfysiotherapeut bespreekt de bevindingen van de observatie en het onderzoek met de ouders/verzorgers en eventueel met de verwijzer en stelt zonodig een behandelplan op, waar binnen de behandeldoelen en evaluatiemomenten in onderling overleg worden aangegeven. Over de uitkomst van het onderzoek en het verloop van de eventuele behandeling wordt schriftelijk verslag uitgebracht aan de verwijzer.
De kinderfysiotherapeut betrekt de ouders/verzorgers en medeopvoeders, indien gewenst, zodanig bij de behandeling dat zij inzicht krijgen in de problematiek van het kind. Hierdoor hebben zij meer mogelijkheden het kind in het dagelijks functioneren te begeleiden.

Behandeling:
De behandeling zal er op gericht zijn de motorische en zintuiglijke ontwikkeling van het kind te stimuleren. De oefen-/bewegingstherapie is daarom aangepast aan het specifieke ontwikkelingsprofiel van het kind Uitgaande van de hulpvraag van ouders en kind wordt gebruik gemaakt van kindgericht materiaal, aangeboden in een kindvriendelijke omgeving met aan het kind aangepaste instructies en dosering.
Als het nodig is en de behandeling ten goede komt, vindt de behandeling thuis plaats. Dit gebeurt o.a. bij baby’s van 0-2 jaar en bij kinderen met een ernstige handicap.
Voor intake, observatie, onderzoek en gesprek met de ouder(s) ten behoeve van de indicatiestelling kinderfysiotherapie zijn vaak meerdere afspraken nodig.
Onder andere door de specifieke problematiek is ook de gemiddelde totale behandelingsperiode langer dan die van ‘lokale’ problemen die een algemeen fysiotherapeut in zijn praktijk ziet.
Met de zorgverzekeraars is overeengekomen dat er door geregistreerde kinderfysiotherapeuten in de eerste lijn 18 kinderfysiotherapeutische behandelingen uit de hoofdverzekering gegeven mogen worden.

Samenwerking:
Problemen in de ontwikkeling van het bewegend functioneren bij kinderen staan vaak niet op zichzelf. Veelal zijn er problemen op meerdere terreinen, zoals op het gebied van de cognitieve-, spraak/taal- en sociaal-emotionele ontwikkeling.
Zonodig zal de kinderfysiotherapeut, met toestemming van de ouders/verzorgers, contact opnemen met eventuele andere behandelaars of begeleiders, zoals huisarts, kinderarts, orthopedagoog, ergotherapeut, logopedist, leerkracht en onderwijsondersteunende instanties om de begeleiding zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen.

Opleiding:
De kinderfysiotherapeut heeft zich na de opleiding Fysiotherapie gespecialiseerd in het observeren, onderzoeken en behandelen van kinderen. Hiertoe heeft de kinderfysiotherapeut gedurende een driejarige post-HBO-opleiding specifieke kennis en vaardigheden opgedaan met betrekking tot het bewegend functioneren van het zich ontwikkelende kind, mogelijke afwijkingen en adequate behandelvormen.
De bevoegde kinderfysiotherapeut is opgenomen in het Centraal Kwaliteitsregister van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF). Voor herregistratie is de kinderfysiotherapeut verplicht tot na- en bijscholing.

Verwijzing:
Ouders/verzorgers, consultatiebureau-artsen, jeugdartsen en leerkrachten hebben een belangrijke signalerende taak. Via de huisarts of arts-specialist wordt het kind verwezen naar de kinderfysiotherapeut. Kinderfysiotherapie wordt vergoed door de zorgverzekeraar, mits het als kinderfysiotherapie is aangevraagd door de verwijzer en de behandeling wordt gegeven door een geregistreerde kinderfysiotherapeut.

Naar boven

4. Schrijfmotorische therapie;

                                   

De schrijfmotorische therapie die bij ons in de praktijk wordt gegeven is afkomstig uit de Master Opleiding Kinderfysiotherapie van Avans in Breda.
Deze Master Opleiding staat onder leiding van Prof. Dr. Bouwien Smits-Engelsman.

De Master Opleiding wordt gegeven in samenwerking met medewerkers van de Stichting Scholing Begeleiders van het in zijn Ontwikkeling Bedreigde Kind (SBOK), de Stichting Neuro-Developmental Treatment Nederland (NDT), de Stichting Vojta Opleiding Nederland (VON), de Hogeschool Brabant, de Hanzehogeschool, de Hogeschool van Groningen, de Hogeschool Limburg, de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, de Katholieke Universiteit Nijmegen (NICI) en het Universitair Kinderziekenhuis UMC St. Radboud in Nijmegen.

Vooraf:
– Resultaten van effectstudies, vastgesteld met gestandaardiseerde meetinstrumenten (zie hierna) tonen aan dat kinderen met schrijfproblemen beter gaan schrijven wanneer zij behandeld zijn: ze schrijven gemiddeld niet alleen sneller maar ook kwalitatief beter (1996).

– Uit onderzoek blijkt dat meisjes significant beter schrijven dan jongens, zowel volgens de leerkrachten als volgens de resultaten van gestandaardiseerde meetinstrumenten, maar dat de overeenkomst tussen het oordeel van de leerkracht en de resultaten van de meetinstrumenten laag is. Tussen beide oordelen werd namelijk slechts een overeenkomst van 25% voor de jongens en van 12% voor de meisjes gevonden. (2004).

Het spreekt voor zich dat het schrijfonderwijs daar plaats vindt waar het thuis hoort en dat is op de basisschool.
Echter recente gegevens uit longitudinale studies geven aan dat kinderen met stoornissen in de schrijfmotoriek niet vanzelf over hun problemen heen groeien. Vaak is er sprake van een blijvend probleem. Het lijkt daarom zinvol kinderen met schrijfproblemen extra begeleiding te geven. In eerste instantie zal dit binnen de school plaats vinden in de klas of evt. d.m.v. R.T. (remedial teacher). De laatste tijd wordt echter steeds vaker hulp gezocht buiten de school. Een dan geraadpleegde arts zal vaak doorverwijzen naar de kinderfysiotherapeut.
Maar zijn schrijfproblemen wel een indicatie voor kinderfysiotherapie???
Schrijven is een motorische vaardigheid die volgens de ICF (International Classification of Function, Disability and Health (classificatiesysteem van de Wereld Gezondheid Organisatie) geclassificeerd zou kunnen worden in het domein van de functionele vaardigheden, immers het is een motorische vaardigheid waarvan verwacht wordt dat kinderen van een bepaalde leeftijd deze beheersen. Ook in de DSM-IV worden schrijfproblemen met name genoemd in de definitie van kinderen met een DCD (Developmental Coordination Disorder) en deze kinderen zijn vaak bekend bij een kinderfysiotherapeut.

Het schrijven:
Wanneer we kijken naar hoe kinderen motorische leren dan gebeurt dit door veel te herhalen en te variëren op datgene wat het kind al kan/beheerst (competenties). Hierdoor leert het kind steeds meer nieuwe motorische vaardigheden.

Schrijven is een aaneenschakeling van letters. De letters zijn symbolen die we met elkaar hebben afgesproken, zodat we met elkaar kunnen communiceren. De Grieken deden dit al voor de Romeinen op papyrus, de monniken gebruikten bv. penseelpennen om de prachtige halen te maken en wij doen het op onze manier.
Er is dus ook voor het kind in groep 3 wanneer het begint met schrijven, geen competentie aanwezig. Schrijven moet het kind echt leren.

In veel scholen wordt in de 2e helft van groep 2 en aanvang groep 3 begonnen met de voorbereidende schrijfoefeningen. Deze voorbereidende schrijfoefeningen hebben vnl. tot doel: waarneming; coördinatie (ballisme); voorkeurshand/-houding; vatting van het potlood.

Schrijven is een psychomotorische vaardigheid.
Wat wil dat zeggen?
De processen die bij het schrijven betrokken zijn, worden mede bepaald door de taak. Als een kind eenvoorgedrukte tekst moet overschrijven, zijn waarnemingsprocessen sturend op het eindresultaat; nl. als het kind niet kan lezen zal het genoodzaakt zijn de voorgeschreven figuren na te bootsen (tekenen) hetgeen een totaal andere schrijfbeweging en schrijfresultaat zal opleveren dan wanneer het kind de gedrukte woorden kan lezen en omzetten in aan elkaar geschreven lopend schrift. Als echter het kind gedicteerde tekst moet opschrijven moet een omzetting plaatsvinden van een reeks auditieve klanken in geschreven lettervormen. Dit proces voorafgaande aan de schrijfbeweging bepaalt uiteraard het schrijfresultaat. In dit waarnemingsproces spelen perceptuele processen (visuo-spatiele en auditieve) een rol, evenals geheugen, aandacht en concentratie. Deze laatste domeinen betreffen niet de kinderfysiotherapie, maar dienen wel herkend en doorgestuurd te worden.
Zetten we het hele schrijfproces eens op een rijtje, dan kan het als volgt worden onderverdeeld:

1. Cognitief niveau:
a. intentioneel niveau: ik wil iets schrijven;
b. linguïstisch niveau: volgorde in de zin + meervoudsvormen (semantische kennis van taal en grammatica);
c. lexicaal niveau: het woordenboek;
d. auditieve en visuele analyse-synthese: een woord bestaat uit letters/klanken en bij het horen van een woord of het zien van een woord moeten deze afzonderlijke elementen auditief dan wel visueel onderscheiden worden in het geheel, andersom moeten elementen tot een woord samengevoegd worden;
e. Foneem-grafeem koppeling: op dit niveau vindt de vertaling plaats van een bepaalde klank in een letterbeeld (en een motorisch activiteit van de mond);

2. Motorisch uitvoeringsniveau:
a. motorprogrammering: de uitgekozen schrijfwijze moet geprogrammeerd worden en kan variëren: b of B; op dit niveau wordt ook informatie over de vorm en de letterhalen vastgelegd en vastgelegd met welke spiergroepen de beweging zal gaan worden uitgevoerd;
b. parametrisatie: op dit niveau vindt de afstelling plaats van de grootte, de snelheid, de richting en de druk;
c. initiatie: nu worden het juiste type en het juiste aantal motorunits (hoeveelheid groepen spiervezels) aangezet voor de juiste tijdsduur;

Schrijfproblemen:
Bij schrijfproblemen kan er dus sprake zijn van fouten op een cognitief niveau zoals grammaticale en spellingsfouten, problemen met de perceptuo-motorische processen en het leren van de verschillende letters. Deze problemen vallen binnen het zorgpakket van de school.
Kinderen met motorische stoornissen die problemen hebben en houden met nauwkeurigheid, vloeiendheid en snelheid en die vaak ook moeite hebben met het handhaven van een juiste penvatting, papierplaatsing en schrijfhouding zullen vaak terechtkomen bij de kinderfysiotherapeut, ergotherapeut of speciaal opgeleide remedial teacher.
Vaak zijn er bijkomende problemen zoals gedragsproblemen (PDD-NOS, ADHD, DCD) en/of aandoeningen die het motorisch leren bedreigen (hyperlaxiteit, pyramidale en extrapyramidale bewegingsstoornissen, reuma etc.).

Kinderfysiotherapeutische interventie:

Hoe gaan we in onze praktijk te werk?
1. allereerst wordt d.m.v. een uitvoerige anamnese afgenomen om inzicht te krijgen in de problematiek en hulpvraag;
Als beoordeeld wordt dat de hulpvraag bij ons thuis hoort wordt:
2. Een algemene inventarisatie gemaakt van de motorische vaardigheden van het kind a.h.v. de MABC (Movement Assessment Batery for Children);
3. Vervolgens wordt het handschrift van het kind beoordeeld a.h.v. de BHK (Beknopte Beoordelingsmethode voor Kinderhandschriften);
4. Zonodig worden visuele testjes gedaan m.b.t. de visuele waarneming, saccadische oogbewegingen etc. (b.v. d.m.v. de VMI-2; de vroegere Beery);
5. Vaak is overleg met de leerkracht, IB’er of RT’er van school onontbeerlijk zo ook uitslag van een psychologische test (als dit voorhanden is).
6. Als verder geen onderzoekgegevens beschikbaar zijn kan binnen onze praktijk evt. ook de SOESSS worden afgenomen (Standaard Observatie Ergotherapie Schrijven en Sensomotorische Schrijfvoorwaarden);

A.h.v. alle gegevens wordt een analyse gemaakt van de schrijfproblemen.

Hierna wordt een individueel op het kind afgestemd behandelplan opgesteld.

Willen we hier voor de uitleg aangeven wat zoal behandelbare eenheden zijn, dan komen we tot de volgende formulering:
1. algemene schrijfvoorwaarden:
a. houding;
b. penvatting;
c. oog-hand coördinatie;
d. as van beweging (= voldoende hand/vinger motoriek);

2. motorische uitvoering:
a. variatie in richting;
b. dosering van kracht en snelheid;
c. nauwkeurigheid;
d. vloeiendheid van de beweging;

Tot slot:
De kinderfysiotherapeut kan bij dysfuncties van de schrijfbeweging ondersteuning bieden, maar het aanleren van het feitelijke schrijven ligt in principe bij de leerkracht. Als de kinderfysiotherapeut ondersteuning biedt bij bv. het aanleren van de juiste motorische programma’s, dan zal dat dus moeten plaatsvinden binnen de door de school gehanteerde onderwijskaders (bv. schoolcurriculum wo. De keuze van schrijfmethode) en de binnen de methode gekozen allografen.

Naar boven

5. Manuele Therapie;

Een manueeltherapeut is een fysiotherapeut die na zijn opleiding fysiotherapie een opleiding manuele therapie heeft gevolgd met een duur van gemiddeld vijf jaar.

Er bestaan verschillende opleidingen tot manueeltherapeut, waardoor er verschillen zijn in visie en behandelwijzen:
A. Stichting Opleiding Manuele Therapie vlg. Marsman.
B. Stichting Opleiding Manuele Therapie.
C. Stichting Maitland Concept.
D. Opleiding Orthopedische Manuele Therapie.
E. Stichting School voor Manuele Therapie Utrecht.
F. Gediplomeerde Gespecialiseerde Studie in de Manuele TherapieVrije Universiteit Brussel (GSS.)

A. Stichting Opleiding Manuele Therapie vlg. Marsman;

Met behulp van manuele therapie kan de beweeglijkheid van de gewrichten bevorderd worden.
Hierdoor kunnen de bewegingen weer efficiënt, zonder overbodige kracht, naar behoren verlopen.
Onnodige spierspanningen kunnen verdwijnen en de belastbaarheid neemt toe.

Met de methode Marsman wordt gebruik gemaakt van de fysiologische bewegingsrichtingen (d.w.z. exact in de glijrichtingen die bij normaal bewegen ook plaats vinden = het natuurlijke bewegingsverloop) waardoor de intensiteit van de behandeling niet hoog hoeft te liggen om een optimale beweging te verkrijgen.
Er is dan ook geen sprake van kraken of veel pijn tijdens de behandeling.
Tevens is een belangrijk kenmerk dat er naar het totale bewegingspatroon van het hele lichaam gekeken wordt om te kunnen beoordelen of andere beperkingen ook een rol spelen.
De wervelkolom wordt het meeste behandeld, deze speelt een centrale rol in alle bewegingen.

Kortom: het is een hele mooie, natuurlijke en efficiënte manier om te mobiliseren.

Manuele therapie volgens:
B. Stichting Opleiding Manuele Therapie;
C. Stichting Maitland Concept;
D. Opleiding Orthopedische Manuele Therapie;

Voor deze drie opleidingen is manuele therapie een onderzoek- en behandelmethode van gewrichten van de rug, de nek, van de armen en de benen. In een eerste gesprek zal de manueeltherapeut o.a. vragen naar het ontstaan van de klachten, wanneer de klachten optreden, hoelang de klachten bestaan en wat de klachten doet toe- of afnemen.

Daarna volgt lichamelijk onderzoek waarbij de houding en het bewegen worden beoordeeld en de gewrichten met specifieke bewegingen worden onderzocht.

Op grond van de verkregen onderzoeksgegevens kan een diagnose worden gesteld. Samen met de patiënt zal de manueeltherapeut beslissen of er behandeld kan worden of dat de patiënt terug gaat naar de verwijzend arts met een rapportage van de manueeltherapeut. De behandeling die volgt zal tot doel hebben de functie van de gewrichten te verbeteren en de houding en beweging in huishouding, werk en recreatie.

Tijdens de behandeling maakt de manueeltherapeut gebruik van specifieke bewegingen in de gewrichten. De manueeltherapeut probeert opgeheven beweeglijkheid te herstellen of teveel aan beweging te stabiliseren door middel van training.

Soms vult de manueeltherapeut deze behandeling aan met manipulaties ( volksmond ‘kraken’). De gewrichten worden dan wat sneller bewogen. Daarbij kan een knappend geluid gehoord worden. De meeste patiënten ervaren dit als een kortstondig vreemd gevoel, maar vinden het over het algemeen niet pijnlijk

E. Manuele Therapie volgens Stichting School voor Manuele Therapie Utrecht;

Uitgangspunt voor deze methode is dat ieder mens een eigen bewegingsvoorkeur heeft en op een eigen manier beweegt. Wanneer iemand door een ongevalongewone arbeid of psychische factoren, niet meer in staat is op zijn eigen manier te bewegen, kunnen klachten ontstaan Deze klachten uiten zich niet altijd op de plaats van de oorzaak. Voorafgaand aan de behandeling zal de manueeltherapeut 26 metingen aan het lichaam doen. Deze metingen geven aan hoe de manueeltherapeut de gewrichten het beste kan bewegen. Tijdens de behandeling worden in principe alle gewrichten behandeld. Door het bewegen in de gewrichten wordt getracht de gewrichten en het lichaam weer optimaal te laten functioneren. Deze bewegingen worden uitgevoerd op subtiele wijze over het hele lichaam. Er wordt bewust geen gebruik gemaakt van manipulaties.

In het algemeen is manuele therapie geschikt voor klachten die, behalve met pijn, ook gepaard gaan met het slechter kunnen bewegen van een gewricht of gewrichten. De effecten van manuele therapie zijn vaak direct merkbaar: de functie van de gewrichten verbetert, de houding verbetert en het bewegen verloopt gemakkelijker.

Enkele voorbeelden:

– hoofd- en nekpijn met het slecht kunnen bewegen van de wervelkolom;
– nek- en schouderklachten die uitstralen tot in de armen;
– rugklachten hoog in de rug met rib en borstpijn;
– lage eventueel met rugklachten, uitstralende pijn naar de benen;
– bepaalde vormen van duizeligheid die opgewekt worden door het bewegen van de nek;
– kaakklachten, eventueel in combinatie met nekklachten;

Naar boven

7. Gespecialiseerde therapie bij bekkeninstabiliteit;

Bekkeninstabiliteit is een veel voorkomende klacht bij zwangere vrouwen. Het kan overigens ook ontstaan door de overgang of door een ongeval. Mannen kunnen dus ook te maken krijgen met bekkeninstabiliteit. Deze informatie gaat met name in op bekkeninstabiliteit tijdens de zwangerschap.

Tijdens de zwangerschap zorgen hormonen ervoor dat het bekken beweeglijker wordt en de bekkenbanden verslappen. Dit is nodig om normaal te kunnen bevallen. De verslapping van de banden gaat meestal zonder al te veel klachten. Vrouwen krijgen hooguit wat last van de onderrug. Bij sommige vrouwen zorgt de bandenverslapping voor veel pijn en moeite met bewegen. Deze combinatie van pijn en bewegingsproblemen noemen we bekkeninstabiliteit of bekkenpijn. Dit kan tijdens of na de zwangerschap optreden.

Bekkeninstabiliteit wordt vaak verward met symfysiolyse. Symfysiolyse betekent een extreem losse verbinding tussen de twee schaambeenderen. Deze extreme vorm van bekkeninstabiliteit komt zeer weinig voor.

Klachten van bekkeninstabiliteit kunnen al zeer vroeg in de zwangerschap optreden. De vrouw krijgt vooral pijn bij het schaambeen en laag in de onderrug. Vooral bij plotselinge bewegingen treedt pijn op en bij langer volhouden van bepaalde houdingen of bewegingen. Bij vermoeidheid worden de klachten vaak erger.

Een echte oorzaak van bekkeninstabiliteit is niet bekend. De hormonale invloeden die de bekkenbanden doet verslappen ondervindt elke zwangere. Waarom de een wel klachten krijgt en de andere niet, is onduidelijk. Waarschijnlijk speelt mee dat zwangeren tegenwoordig een drukker leven leiden dan vroeger: baan, huishouden en gezin. Hierdoor bewegen zij net zoveel als voor de zwangerschap, terwijl hun lichaam meer rust nodig heeft. Er is sprake van een verstoorde balans tussen belasting en belastbaarheid.

Gelukkig wordt steeds meer ontdekt hoe bekkeninstabiliteit goed behandeld kan worden tijdens en na de zwangerschap. De klachten verdwijnen bijna altijd. Anderhalve maand na de bevalling zijn de meeste klachten voor het overgrote deel verdwenen. Toch is nog een herstelperiode van een half tot een heel jaar nodig om de laatste klachten te doen verdwijnen. Bij menstruatie en verminderde weerstand kunnen de klachten weer even verergeren. Bij herstel biedt fysiotherapie vaak uitkomst. De fysiotherapeut speelt een adviserende en begeleidende rol.

De fysiotherapeutische behandeling:
– Geven van goede informatie. Wat is bekkeninstabiliteit en wat zijn de gevolgen?
– Vergroten stabiliteit bekkenregio d.m.v. een gedoseerd individueel oefenprogramma ter versterking van buik-, bil-, rug- en bekkenbodemspieren;
– Het geven van houdings- en bewegingsinstructies. (het leren doseren van activiteiten, het afstemmen van de belasting op de belastbaarheid);
– Verbeteren van de algehele conditie;
– Adviseren van het gebruik van hulpmiddelen; bijvoorbeeld een bekkenband. (Te koop bij ons in de praktijk);

Naar boven

10. Verkoop van tapes, bandages en braces in onze praktijk;

Sinds mei 2005 zijn in onze praktijk tapes, bandages en braces in grote variëteit verkrijgbaar.

We zijn met de verkoop hiervan begonnen omdat in Weesp en directe omgeving geen bedrijven zijn die deze artikelen verkopen.

Wij werken samen met Disporta in Tilburg, omdat dit bedrijf snel en correct levert. Bestellen we vandaag, dan is het morgen in huis.

Het gebruik van een tape, bandage of brace is enorm populair. Dit is ook logisch, omdat je, door het gebruik van de juiste tape, bandage of brace, vaak in staat gesteld wordt om, ondanks een blessure, toch klachtenvrij te kunnen handelen (werken, sporten e.d.).

Maar wat is nu een tape, bandage of brace?

Wat is een tape?

Tape bestaat uit klevend, niet-elastisch materiaal, dat in stroken van 2,5 cm en 3,75 cm breed verkrijgbaar is. Tape fungeert als het ware als een kunstmatige band of pees en geeft ondersteuning bij spierverrekkingen, peesontstekingen of instabiele gewrichten.
Hierbij wordt getracht ongewenste bewegingen zoveel mogelijk te voorkomen, terwijl het normale bewegingspatroon toch behouden blijft. Het voordeel van een tape is dat het niet alleen mechanische steun geeft, maar ook het spiergevoel (de propriocepsis) verbetert. Door de trek aan de huid reageren de spieren sneller dan normaal op bewegingen. De nadelen van een tape zijn een verminderde circulatie, stuwing, of zenuwinklemming bij een te strak zittende tape, huidirritaties en na verloop van tijd afnemen van de werking doordat de tape losser gaat zitten. Bovendien vraagt goed aanleggen van een tape behoorlijk veel oefening en vaardigheid.

Wat is een bandage?

Onder het woord “bandage” verstaan we meestal een ondersteuning die met behulp van zwachtels is aangelegd. Bandages kunnen nogal verschillen, doordat de zwachtels kunnen variëren van klevend tot niet-klevend, licht tot sterk elastisch, poreus tot niet poreus. Ook wordt het woord bandage vaak gebruikt voor de zachtere, stoffen braces, die weinig steun geven, maar wel prettig aanvoelen. Bandages worden vaak gebruikt bij een vers letsel (compressieverband, bijv. bij een dikke enkel), als onderdeel van een tape, of om het gewricht warm te houden bij chronische klachten.

Wat is een brace?

Een brace is een voorgevormde ondersteuning van een gewricht. Het wordt gebruikt om de functie van bewegende delen van het lichaam te ondersteunen of te verbeteren. Een brace kan bestaan uit soepele, comfortabele stof, maar kan ook gemaakt zijn uit hard kunststof of zelfs metalen onderdelen bevatten. Het voordeel van een brace ten opzichte van een tape is dat het geen speciale oefening of vaardigheid vraagt om een brace goed aan te doen, gemakkelijk te verwijderen is, op den lange duur goedkoper is dan tape en de meeste soorten tijdens het sporten strakker gezet kan worden. De nadelen zijn dat een brace niet altijd goed past, veel ruimte inneemt, kan gaan glijden, soms relatief veel weegt en niet altijd comfortabel zit.

Naar boven

11. Hoe dragen kinderen het best hun schooltas?

Stimulus 23 (2004), p. 231-243.

Drs. Roeland Motmans.

Omwille van het copyright dat op dit artikel zit, beperken we ons tot het weergeven van een samenvatting van het artikel; Daarna worden de belangrijkste conclusies nog even genoemd. Het hele artikel is uiteraard bij ons ter inzage.

Samenvatting:
Het dagelijks dragen van een schooltas is een zware belasting voor de rug van studenten en scholieren. Het gewicht, de duur van het dragen en de draagwijze spelen hierin een belangrijke rol. In dit artikel worden bij verschillende draagwijzen zuurstofverbruik, houding, longfunctie, rompspieractiviteit, voetkrachten en het subjectief ervaren comfort vergeleken. Met een symmetrisch geplaatste last, zo dicht mogelijk bij het lichaamszwaartepunt is het zuurstofverbruik het laagst. Dit vereist namelijk minder rompstabiliserend spierwerk. Een rugzak met twee schouderbanden geeft minder houdingsafwijkingen dan wanneer slechts één band wordt gebruikt. Eén band dwars over de borst kan het best worden vermeden omdat deze druk de longfunctie kan belemmeren. Tijdens het wandelen met een rugzak geven een verstevigde achterkant, compartimenten, brede schouderbanden en een heupband meer comfort. De laagste voetkrachten worden genoteerd bij een dubbelzak, met het gewicht verdeeld over buik- en rugzijde.

Conclusies:
• Het gewicht van de schooltas wordt het best symmetrisch en zo dicht mogelijk bij het lichaamszwaartepunt gedragen.
• Het energieverbruik tijdens het dragen van een rugzak met een gewicht van 15 procent lichaamsgewicht stabiliseert zich na vijf minuten wandelen.
• Tussen verschillende typen rugzakken kan op fysiologisch vlak geen verschil gevonden worden.
• Bij het dragen van zware lasten gedurende langere tijd, zoals bij trekkers, wordt een voordeel gevonden voor een dubbelzak, waarbij het gewicht verdeeld is over buik- en rugzijde.
• Slechte houding kan verantwoordelijk geacht voor de ervaren rugpijn die 51 procent van de kinderen tussen 11 tot 13 jaar rapporteert (Pascoe e.a., 1997). Het is daarom belangrijk de schooltas steeds over beide schouders te dragen. Een deel van de scholieren draagt de rugzak echter vaak over één schouder (rugzak of schoudertas).
• Een rugzak wordt het best op de heup of taille gedragen en dus niet te hoog opgetrokken op de schouders, maar wel goed aangespannen.
• Op basis van de houdingsanalyse zou men kunnen concluderen dat een buikzak een meer efficiënte draagwijze is dan een rugzak. Toch moet ook een dubbelzak, een combinatie van buik- en rugzak, overwogen worden (zie hiervoor).
• Een gewicht van 10 procent lichaamsgewicht wordt vaak aangenomen als maximale gewichtslimiet voor een rugzak.
• De asymmetrische draagwijze voor de schooltas af te raden is.
• De belasting van de onderste ledematen is lager bij een dubbelzak (Lloyd en Cooke, 2000b).

Naar boven

12. De asymmetrische zuigeling;

  

Binnen onze praktijk wordt m.b.t. de diagnostiek bij de asymmetrische zuigeling al enkele jaren gebruik gemaakt van een diagnosticum dat ontwikkeld is door Dhr. Harry Crombag, kinderfysiotherapeut, e.a.
De inleiding bij de presentatie van het diagnosticum treft u hieronder.

Het rugligbeleid, gepropageerd door Prof. dr. de Jonge ter preventie van de wiegendood is de oorzaak die uiteindelijk heeft geleid tot het ontwikkelen van dit diagnosticum.
Immers doordat de jonge zuigeling op zijn of haar rug wordt gepositioneerd tijdens het slapen, wordt, ook door de artsen werkzaam op het consultatiebureau voor zuigelingen, een toename gemeld van kinderen met een voorkeurshouding.
Immers in rugligging liggen deze kinderen vrijwel voortdurend met het hoofd naar één en dezelfde kant gedraaid. Er is een actieve en vaak ook een passieve bewegingsbeperking. Regelmatig wordt er een afplatting van het hoofd waargenomen (plagiocephalie), asymmetrieën in het aangezicht, een afstaand oor, asymmetrieën in de wervelkolom en bekken hoogstand.
In de literatuur wordt dit beeld onder een veelvoud van namen beschreven. Je komt de volgende termen tegen: de zuigelingenscoliose, das Siebener syndroom, the resolving scoliosis, die schräglage Deformation, het moulded babysyndrome, the habitual unilateral supine position.
Binnen de kinderfysiotherapie behoort de asymmetrische zuigeling op dit moment tot de meest frequent aangevraagde indicatie voor kinderfysiotherapie, 2.5% van alle kinderen jonger dan 6 maanden worden doorverwezen voor behandeling (Nederlands tijdschrift voor Geneeskunde 1997, 19 april: 141 (16), Mw. Boere-Boonekamp).
Het ontwikkelde diagnosticum bestaat uit een vragenlijst die door de onderzoeker van de asymmetrische zuigeling gemakkelijk kan worden ingevuld.
De vragenlijst is opgebouwd uit ja en nee vragen die betrekking hebben op anamnese, te weten zwangerschap, bevalling en familie?anamnese, observatie in ruglig, buiklig, zit, waarbij gelet wordt op hoofd, aangezicht, cervicale wervelkolom, thoracale wervelkolom, bekken en extremiteitsbewegingen en tot slot het onderzoek, waarbij naar de actieve en passieve beweeglijkheid gekeken wordt.
Het doel van deze vragenlijst of diagnosticum kunnen we als volgt omschrijven.
– Op de eerste plaats wil ik met eigen data verifiëren of de wetmatigheden die bij de literatuur worden aangedragen ook kloppen. Ik wil zelf bewijzen dat het symptomencomplex van musculaire torticollis bestaat uit een hoofdpositie die je kunt omschrijven als reclinatie, homolaterale latroflexie en heterolaterale voorkeursrotatie, een heterolaterale plagiocephalie, een gezichtsasymmetrie, een scoliotische houding van de wervelkolom concaaf aan de torticolliszijde, een pelvis rotatie het hoogstand aan de torticolliszijde en een relatieve heupadductie aan de torticolliszijde. Komt dit altijd zo klassiek tot uiting of zijn er varianten en hoe vaak komen deze in kwantitatief opzicht voor?
– Een tweede doelstelling is om aan de hand van deze data, de asymmetrische zuigeling wat logischer in te delen bijv. asymmetrieën ten gevolge van problematiek in de cervicale wervelkolom, waarbij we de voorkeurshouding moeten onderscheiden van de imperatieve torticollis. Asymmetrie ten gevolge van problematiek in de thoracale wervelkolom, waarbij de literatuur spreekt over een zogenaamde zuigelingenscoliose, die een gunstige prognose kent en een structurele scoliose die behandeling behoeft. Als laatste zien we asymmetrieën waar de oorzaak primair gelegen is in het bekkengebied (TAC-syndroom (turned adducted hip truncal curvature)) met symptomencomplex voorkeursrotatie van het hoofd, relatieve adductie beperking van de heup aan de occipitale zijde, relatieve abductie beperking aan de faciale zijde, pelvisrotatie en convexiteit van de wervelkolom aan de occipitale zijde of een eventuele onderliggende heupproblematiek.
Verder moet het ook mogelijk zijn voor de consultatiebureau-arts of huisarts om met behulp van deze vragenlijst een juist onderscheid te maken tussen aandoeningen die wel of geen interventie behoeven.
Te denken valt aan bijvoorbeeld een voorkeurshouding, (cervicaal) of een zogenaamde zuigeling scoliose (thoracaal), die alleen maar instructie of een afwachtend beleid behoeven en de imperatieve dwangstand zoals de torticollis, of de structurele zuigelingen scoliose of het TAC-syndroom etc., die wel behandeling en interventie behoeven.
Nadat al deze gegevens verzameld zijn en nadat gebleken is dat datgene wat we nu geobserveerd hebben ook overeenkomt met het in de literatuur beschrevene, zouden we kunnen onderzoeken welk effect onze toegepaste therapieën hebben op de genoemde imperatieve aandoeningen.
Immers kunnen wij in voldoende mate meten wat onze effecten zijn van therapeutische interventie, ten opzichte van de effecten die de normale ontwikkeling richting symmetric heeft op deze jonge asymmetrische zuigeling.
Immers vragen die gesteld worden tijdens mijn doceeractiviteiten wat er gebeurt als je een torticollis of TAC-syndroom niet behandelt, kan ik alleen maar beantwoorden met dubio ergo sum en kan ik niet onderbouwen met harde cijfers.

Naar boven

13. Voorkeurshoudingen van het hoofd bij baby’s.

Adviezen voor ouders en verzorgers.

Bij een normale ontwikkeling draait een baby het hoofd even makkelijk naar links als naar rechts. Een voorkeur voor één van beide kanten kan gevolgen hebben voor de rest van het lichaam. Als hieraan niets wordt gedaan, kan een blijvende asymmetrie ontstaan. Het is belangrijk deze voorkeur snel op te heffen, zodat de baby zich symmetrisch kan ontwikkelen.

Hoe doe je dit?

In bed:
– Als de baby op de rug slaapt: draai het hoofd naar de niet-voorkeurskant. Soms lukt dat niet en draait het direct terug. Probeer het dan nog eens als de baby slaapt.
– Als de baby wakker is: leg, hang en zet (geluid makend) speelgoed aan de niet-voorkeurskant.
– Let op de lichtbron (raam of lamp) in de kinderkamer: baby’s kijken graag naar het licht. Leg de baby zó neer dat de baby het hoofd naar de niet-voorkeurskant moet draaien om de lichtbron te kunnen zien. Draai het bedje zonodig om of maak het anders op.

Aankleden:
– Neem de baby recht voor je: de baby ervaart dan wat recht liggen is.
– Leg de baby zó op het aankleedkussen dat de baby het hoofd naar de niet-voorkeurskant moet draaien om je te zien. Dit kan eerst wat onhandig aanvoelen, maar na enkele dagen gaat het meestal beter.

Voeden:
– Als je flesvoeding geeft, houd de baby dan zó vast dat de baby naar de niet-voorkeurskant moet draaien om je te zien. Zorg dat beide armen naar voren liggen. Een keertje wel naar de voorkeurskant laten draaien kan echt geen kwaad.
– Je kunt de baby ook recht voor je op je benen leggen, zodat de baby het hoofd in het midden houdt.

Dragen:
– Wanneer de baby tegen je schouder ligt (b.v. voor een knuffel, om te troosten of om een boertje te laten), zorg er dan voor dat het hoofd met de niet-voorkeurskant tegen je aanligt.
– Wanneer je de baby op je arm draagt, is het goed om links en rechts af te wisselen. Draag je de baby op een andere manier, b.v. in een draagzak, draai het hoofd dan naar de niet-voorkeurskant of naar het midden.

Zitten:
– Als je de baby op schoot hebt, praat dan ook eens van de niet-voorkeurskant.
– Zet je baby zo min mogelijk in een kinderzitje. Gebruik het kinderzitje alleen als vervoermiddel. Let ook dan op de stand van het hoofd.

In de box:
– Hang speelgoed op borsthoogte recht boven de baby, of iets naar de niet-voorkeurskant.
– Zorg er ook in de box voor dat het licht en het geluid van de niet-voorkeurskant komen.

Spelen:
– Buiklig:
Het uitgangspunt bij de meeste van deze adviezen is dat de baby op de rug ligt. Het is belangrijk de baby – als het wakker is – ook een paar keer per dag op de buik te leggen. Zolang de baby nog niet zelf kan rollen, leg de baby dan direct na het verschonen even op de buik, met de armen naar voren, zodat de baby op de onderarmen kan steunen. Zo kan het makkelijker het hoofd optillen en naar beide kanten kijken. Lukt dit nog niet geef dan met je hand wat steun op de billen of leg een opgerold handdoekje onder de borst.
– Zijlig:
Als je de baby op de zij legt, is het naar voren leggen van de beide armen meestal voldoende om doorrollen naar de buik te voorkomen. De voorkeurshouding kan veroorzaken dat de baby in zijlig spanning in de nek voelt en daardoor terug rolt naar de rug. Een dun opgevouwen handdoekje (onder het laken) onder het hoofd vermindert vaak de spanning.

Doelstelling:
Het doel van deze adviezen is dat de baby:
– zich symmetrisch ontwikkelt.
– het hoofd in het midden kan houden en naar alle kanten even goed om zich heen kan kijken.
– beide armen en benen even veel kan gebruiken.

Vragen:
Heb je vragen over de adviezen of is het niet helemaal duidelijk, neem dan even contact met ons op.

Naar boven

14. Spelen en bewegen, als het niet vanzelf gaat;

Adviezen voor ouders en verzorgers.

Spelen en bewegen met de baby

Na een periode van liggen op de rug of op de buik gaat de baby omrollen, tijgeren en kruipen. De baby gaat zelf zitten, trekt zich op tot staan en gaat los lopen.
Een aantal baby’s volgt een ander ontwikkelingspatroon.

Kenmerken hiervan kunnen zijn:
– Het kind heeft een hekel aan op de buik te liggen
– Het kind maakt weinig bewegingen, “een stille baby”
– Het kind gaat pas laat omrollen van de buik naar de rug en omgekeerd, of rolt helemaal niet om
– Het kind kan goed blijven zitten als het wordt neergezet, maar kan niet zelf gaan zitten
– Het kind kan zittend heel lief met de handen bezig zijn
– Het kind “schuift op de billen” i.p.v. te tijgeren of te kruipen
– Het kind gaat laat staan
– Als het kind aan de hand loopt, kan het nog heel lang duren voordat het zelf los gaat lopen.

Voor ouders en verzorgers van kinderen die kenmerken van dit ontwikkelingspatroon volgen, zijn hier enkele tips.

Liggen

Leg het kind als het wakker is ook op de buik. Vindt het kind dit erg vervelend, dan lukt het vaak beter met een opgerolde handdoek onder de borst. Wanneer je dit een aantal keer kort herhaalt, zal het kind er snel aan wennen. Het bewegen in ruglig en buiklig is erg belangrijk voor de verdere ontwikkeling.

Zitten

Zet het kind niet te vaak en te lang neer als het kind niet zelf gaat zitten. Laat het kind niet te lang stil zitten in een autostoeltje, een maxicosi of een wipstoeltje. Het vervoeren van het kind gaat ook goed in een draagdoek of babybag. Je kan het kind ook op de arm nemen. Autostoeltjes en maxicosi’s zijn vervoermiddelen!!!!
Als het kind zit, probeer dan speeltjes van schuin achter het kind aan te geven, of roep het kind van de zijkant of de achterkant. Zo zal het kind zich vanzelf gaan omdraaien.

Staan

Laat je kind niet te veel staan als het nog niet zelf gaat staan. Als het kind kan gaan staan, laat het dan aan een laag tafeltje staan met speeltjes net buiten het bereik, zowel aan de rechter- als aan de linkerkant.

Spelletjes

Hier volgen een aantal spelletjes die het kind plezier zullen geven om meer zelf te gaan bewegen.
– Leg het kind op de buik met een rolletje onder de borst. Trek de aandacht van links en van rechts en reik speeltjes aan, die de baby met een hand moet pakken.
– Leg het kind op de buik dwars over je bovenbeen. Trek de aandacht door een speeltje naar links en naar rechts te bewegen. Laat het kind proberen het speeltje te pakken.
– Spelen op een grote bal, een skippybal of strandbal. Leg het kind op de buik op de bal en rol de bal zachtjes naar voren, naar achteren, naar links en naar rechts. Onder het zingen van een liedje kan je de bewegingen van de bal vergroten. Je kan het kind aan de handen of de voeten vasthouden of een hand op de rug leggen.
– Ga in een iets verwijde kleermakerszit zitten en neem het kind zittend tegen je aan, met de rug naar je toe. Door zelf op de linker- en rechter bil te gaan zitten of voor- en achterwaarts te bewegen, neem je het kind in de beweging mee. Houd het kind bij de heupen of bij de handen vast.
– Doe kiekeboe-spelletjes waarbij het kind zich moet omdraaien. Dit kan zowel gedaan worden als het kind ligt (op de buik of op de rug), zit of staat. Doe dit van rechts en ook van links.

Vragen

Heb je vragen over de adviezen of is het niet helemaal duidelijk, neem dan even contact met ons op.

Naar boven

15. Is rekken zinvol?

Geregeld wordt ons de vraag gesteld of rekken van de spieren mn. bij training of voor een wedstrijd nog wel zinvol is. Steeds vaker ook zeggen trainers dat er niet meer gerekt hoeft te worden “omdat het toch geen zin heeft”.

Wij willen een bijdrage aan deze discussie leveren door hier een samenvatting te geven van het artikel van Drs. van Bolhuis.

Omwille van het copyright dat op dit artikel zit, beperken we ons tot een samenvatting, inleiding en kort stukje uit de conclusie.

Drs. Annette I. van Bolhuis
bewegingswetenschapper, hogeschooldocent opleiding Fysiotherapie, Heerlen.
Stimulus 2003

Samenvatting:

Sinds een aantal jaren staan de zin en onzin van rekoefeningen, als onderdeel van elke training en wedstrijdvoorbereiding en als fysiotherapeutische behandelvorm, ter discussie. Deze wordt elke keer weer aangewakkerd door publicatie van wetenschappelijke onderzoeksresultaten die vaak onjuist worden geïnterpreteerd en ongenuanceerd via de media naar buiten komen.
Rekken resulteert doorgaans in een grotere bewegingsuitslag (Eng.: range of motion; ROM) van de extremiteit. Het is echter bewezen dat een grotere ROM niet berust op vermindering van spierstijfheid of absolute verlenging van het spierpeescomplex, zoals binnen de sport en fysiotherapie vaak wordt verondersteld. Een toename in ROM wordt waarschijnlijk mogelijk gemaakt door neuromusculaire mechanismen, namelijk een verlaat optreden van pijnsensatie in combinatie met een verlaat optreden van de actieve weerstand van de gerekte spieren. Beide kunnen worden beschouwd als verdedigingsmechanismen tegen de passieve rek. Er zijn sterke aanwijzingen dat rekken in het kader van blessurepreventie zinloos is.

Inleiding:

Dit artikel geeft antwoord op de vraag of rekoefeningen zinvol zijn in het kader van blessurepreventie.
Zowel in de sport als in de fysiotherapie bestaan talloze rekmethoden met eigen theoretische principes en een eigen filosofie. De buitensporige aandacht voor deze verschillende methoden van rekken suggereert dat ze onontbeerlijk zijn voor de sporter en als oefen- en behandelvorm in de fysiotherapie. De manier waarop gerekt moet worden, is in de loop van de tijd een eigen leven gaan leiden en uitgegroeid tot een ritueel volgens vaste regels. Het waarom en het effect van rekoefeningen is pas sinds enkele jaren onderwerp van wetenschappelijk onderzoek.
Op grond hiervan wordt gesuggereerd dat rekken zinloos is. Dit vraagt om aandacht, maar roept ook bij velen twijfel op. Er heerst grote verwarring over de effectiviteit van rekoefeningen.
Blijkbaar wordt slordig omgesprongen met de interpretatie van onderzoeksresultaten. In dit artikel komen verschillende aspecten van het spierrekken aan bod, met het doel een brug te slaan tussen wetenschap en praktijk.

Klinische vraag:

Nuttige effecten van ROM Het vergroten van de ROM is alleen zinvol als deze functioneel wordt gebruikt. Iedereen die in zijn natuurlijke bewegingsmogelijkheden wordt beperkt, is dus gebaat bij rekoefeningen. In het kader van de sport zijn rekoefeningen zinvol wanneer het om sportspecifieke bewegingen gaat die een grotere dan normale ROM vereisen. In de meer extreme gevallen zijn dit bewegingen zoals gebruikelijk bij het turnen, ballet en de acrobatiek. Maar ook de meer gangbare sporten, zoals voetballen, vragen soms om een grotere ROM, bijvoorbeeld voor het maken van een sliding.
Behalve een toename in ROM, worden aan rekken nog andere nuttige effecten toegeschreven. Zo zouden, volgens sportwijsheden, rekoefeningen bijdragen aan een verbetering van de sportprestatie, spierpijn tegengaan en kramp verhelpen (het valt buiten het kader van dit artikel om deze veronderstelde rekeffecten te beoordelen op hun evidence). Rekken kan ook zinvol zijn als doel op zichzelf, bijvoorbeeld als mentale voorbereiding op een sportwedstrijd. Of gewoon omdat het als prettig wordt ervaren.

Naar boven